Mutaties bij de Agapornis personatus
(Page revised 16-12-2006 )
Bij de personatus zijn er al heel wat mutaties opgetreden. We hebben de donkerfactoren, de blauwfactor, de violetfactor,
de pastelfactor en sinds kort de fallow. De
andere verschijningsvormen zoals de ino en gezoomde vogels zijn er gekomen door
transmutatie.
Vederstructuur
bij de personatus
Het eerste dat opvalt bij de
personatus is de pikzwarte kopkleur. De
kopkleur van de groene personatus wordt in de diverse standaarden als warm zwart
omschreven. De kleur wordt gevormd
door de aanwezigheid van zwart eumelanine en rode psittacine in de baarden en
baardjes van de kopveren. De
hoeveelheid aanwezige eumelanine is beduidend groter dan de aanwezige
psittacine, waardoor dat we alleen maar de zwarte kleur ervaren.
Bij blauwe personatus is de werking van de psittacine belet, waardoor dat
we een andere ‘zwarte’ kopkleur krijgen.
Hier zien we enkel en alleen nog het aanwezige eumelanine zonder een
mengverhouding met wat rode psittacine, het oogt iets anders zwart.
Daardoor komt het dat de kopkleur van een blauwe personatus dan omschreven
word als ‘koud’ zwart.
We zien ook een duidelijk verschil tussen de kleur van de algemene groene lichaamsbevedering en de kleur van het vleugeldek. Dat komt ook door de aanwezige eumelanine in de baardjes van deze vleugeldekveren. Deze zijn bijna volledig zwart gepigmenteerd. Deze zwarte haakjes verdonkeren daardoor de algemene kleur van het vleugeldek en wordt overal als donker grasgroen omschreven in de standaarden. De baardjes bij de algemene lichaamsbevedering bevatten geen zwart eumelanine maar wel geel psittacine waardoor de totaalkleur dan ook veel lichter groen is. Deze omschrijven ze als grasgroen of lichtgrasgroen. De gele borstkleur wordt gevormd door het ontbreken van de eumelanine in de baarden van de borstbevedering, waardoor we enkel de aanwezige gele psittacine te zien krijgen. (top)
Mutaties bij de personatus
blauw (See
picture)
Hier zien we dat de psittacine compleet ontbreekt in de volledige
bevedering. Gevolg een blauwe vogel
met een witte borst en een witte nekband. De
stuit is hier violetachtig gekleurd, omdat ook hier de psittacine in de anders
mauveachtige stuit ontbreekt. Door
het ontbreken van de psittacine in de bevedering van de kopkleur krijgen we een
‘koud’ zwarte kleur. Deze
mutatie tast nooit de kleur van de poten, nagels of oogkleur aan. Blauw vererft
recessief. (top)
De donkerfactoren (See
picture)
Voor een doorsnee kweker is het gemakkelijk, een vogel uit de groenreeks
zonder donkerfactor is een groene, een vogel uit de groenreeks met één
donkerfactor is een D groene en een vogel uit de groenreeks met twee
donkerfactoren is een DD groene. Blauw
met één donkerfactor geeft ons D blauw, blauw met twee donkerfactoren
geeft ons DD blauw. Als
we van een vogel met twee donkerfactoren
de bevedering onder de microscoop bekijken dan zien we dat baarden dunner
zijn, dit omdat de spônszone minder diep is dan bij een groene vogel.
Daardoor wordt er meer licht geabsorbeerd door de zwarte eumelanine korrels
en minder licht weerkaatst. Ook het feit dat een dunnere baard een kleiner
kleurvormend oppervlak heeft geeft de vogel een donkerdere kleur.
Bij vogels met één donkerfactor (D groen of D blauw) zien we dat de
dikte van de baard en de dikte van de doorsnede van de spônszone zich precies
tussen deze van de vogels met twee en de vogels zonder donkerfactor bevinden. De donkerfactoren vererven dominant. Dat betekent dat één enkele vogel met een
donkerfactor reeds voldoende is om direct jongen te kweken met één
donkerfactor. Wanneer beide
oudervogels één donkerfactor bezitten kunnen we jongen kweken met twee
donkerfactoren. Let op een vogel
kan bijgevolg nooit split zijn voor een dominante mutatie.
Een groene vogel split D groen of een blauwe vogel split D blauw
bestaat niet. (top)
Pastel (See
picture)
Bij pastel zien we dat er ongeveer maar 50% meer van het zwarte
eumelanine zichtbaar blijft in de kern van de baarden.
Daardoor krijgen we uiteraard veel minder absorptie van het daglicht en
is de blauwe kleur die gevormd wordt in de sponszône natuurlijk veel lichter
van kleur. Het gevolg is dat er
minder blauw licht terug door de cortex (met
daarin het gele psittacine) gestuurd wordt en we daardoor een veel lichter
gekleurde vogel krijgen, de pastelvorm. Zwart
wordt grijs en groen wordt vuil geel-groenachtig. De algemene lichaamkleur wordt
'fletser', dus pastel, de slagpennen zijn lichtgrijs en soms zelfs al wit van
kleur. Het ideale is natuurlijk een
egale opbleking van 50% waardoor dat we heel lichtgrijze slagpennen krijgen,
maar eerlijk gezegd is dat niet zo gemakkelijk te realiseren.
De rode en gele kleuren worden niet aangetast omdat deze niet door
melanocyten (pigmentcellen) worden geproduceerd. Bij de personatus geeft ons dat
een heel lichtgrijs masker, waardoor we de aanwezige (onaangetaste) rode
psittacine nog zien. Meestal wordt dit omschreven als ‘bruinachtig’.
Verder moet de borst en de nekband zuiver geel blijven, want ook hier
gebeurt er niets mee. Wij spreken dus ook van pastel groen of als er
donkerfactoren aan te pas komen van pastel D groen of pastel DD groen.
In de blauwreeks van pastel blauw, pastel D blauw en pastel DD blauw.
Pastel vererft recessief en is een multiple allelomorf van het recessieve
ino gen. Combinaties tussen pastel
en ino geven daardoor veel blekere pastelvogels.
Deze PastelIno vogels zijn daarom niet geschikt voor tentoonstellingen. (top)
Violet (See
picture)
De violetfactor ontstond in
Nederland en geeft ons een vogel met een gewijzigde vederstructuur. Waar we bij
gewone wildvorm vogels zien dat er in de spônszone blauw licht gevormd wordt
door interferentie, wordt hier door de gewijzigde structuur van de spônszone
violet licht door interferentie gevormd. De
violetfactor vererft dominant en kan enkel of dubbel aanwezig zijn,
onafhankelijk van het feit of het nu in de blauw-, groen of pastelreeks is, maar
is duidelijk het mooist bij D blauw vogels (vogels uit de blauwreeks met één
donkerfactor). Daarom worden voor tentoonstellingen enkel de D blauw vogels met
één of twee violetfactoren gevraagd. Deze
worden gewoon omschreven als violet. Een blauwe vogel met één
violetfactor ziet er uiterlijk net hetzelfde uit als een gewone D blauw. Een blauwe met twee violetfactoren ziet er uiterlijk
net zo uit als een D blauw met één violetfactor. Bij DD blauw vogels
kunnen we ook de violetfactor niet zien.
De violet vogel moet ook alle eigenschappen van een goede blauwe vogel
bezitten, behalve dat de blauwe veervelden hier duidelijk violet gekleurd moeten
zijn. Belangrijk is dat de witte
veervelden op de borst en in de nek wit blijven.
Groene vogels met een violetfactor kunnen ook, deze zijn ideaal als
kweekvogels, maar hebben als tentoonstellingsvogels weinig waarde. (top)
Fallow
(See
picture)
Jaren geleden ontstaan in Amerika. Bij deze mutatie krijgen we een verdunning van de aanwezige eumelanine
waardoor dat we een ‘pastel’ ogende vogel krijgen. Maar als we goed gaan opletten zien we dat de vogels hier ook rode ogen hebben. Deze fallowvorm vererft autosomaal recessief. Het is nog steeds niet dudelijk om welk type fallow het hier gaat
(top)
Alle andere kleuren die we dan hebben bij de personatus zijn er ook gekomen door transmutatie. Zo de inofactor via de lilianae. U begrijpt dat, willen we hierbij goede exemplaren kweken, we regelmatig zoals steeds via de wildvorm moeten verparen. (top)
Ino (See
picture)
Dit is de voornaamst en meest voorkomende transmutatie welke we terug
vinden bij de personatus. Deze recessief verervende ino vorm ontstond bij de
lilianae. We krijgen een
volledig gele vogel met rode ogen. De
kleur van de poten varieert van lichtgrijs naar vleeskleurig.
De voorkeur wordt uiteraard gegeven aan vleeskleurige poten.
De vorm van het masker blijft ongewijzigd.
Het masker is heel licht roze gekleurd omdat we hier de resterende rode
psittacine te zien krijgen. Het masker mag zeker niet overdreven rood zijn.
Bedenk dat we hier enkel maar een minieme hoeveel psittacine hebben
(bekijk een goede pastel en bemerk de gering rode kleur onder het masker). De
stuit is overwegend geel met hier en daar een witte veer.
In combinatie met vogels uit de groenreeks spreekt men van lutino, bij
combinatie met blauwe vogels van albino. Deze
albino’s zijn compleet wit met rode ogen. (top)
© Dirk Van den Abeele