Mutaties bij de Agapornis roseicollis
(Page revised 16-12-2006)
Zoals eerder al uitgelegd kunnen we kleurmutaties krijgen door verandering van de eumelanine en psittacine, de wijziging van de distributie van de pigmenten (eumelanine of psittacine) en de vederstructuur. Dit is natuurlijk ook het geval bij de mutaties bij de roseicollis. We zetten ze even voor u op een rijtje:
eumelaninemutaties:
Bij de roseicollis hebben
we de volgende eumelaninemutaties:
· Ino
· Pallid
· Cinnamon
· Bronze
fallow
· Pale
fallow
· Pastelgezoomd (marbled)
· Overgoten (dilute)
· Recessief en dominant
Bont
Psittacinemutanten:
· Aqua
· Turquoise
· Oranjemasker
· Rozemasker
Verandering in de vederstructuur:
· Violetfactor
· Donkerfactoren
Wijziging
in de eumelanine- en psittacinedistributie:
· Opaline
Verschijningsvormen
door crossing-over:
· Cinamon-ino
De
inofactor: (See
picture)
De inofactor zorgt ervoor het zichtbare eumelanine bij de
vogel volledig verdwijnt. Zowel in de bevedering, de
ogen, de poten en de nagels. Daardoor krijgen we in combinatie
met een groene vogel, een zuiver gele vogel, de poten zijn vleeskleurig
en, typisch voor deze mutatie, de ogen rood zijn. De stuitkleur is
wit. Omdat het psittacine niet aangetast wordt blijft bij deze
vogels het aanwezige rood in het masker ongewijzigd. Bij de
Roseicollis vererft deze geslachtsgebonden recessief en spreekt men
van SL (Sex- linked) ino.
In combinatie met andere factoren:
· Lutino
(ino in combinatie met groen)
· Oranjemasker
lutino
· Rozemasker
lutino
· Aqua
ino (ino gecombineerd met aqua)
· Turqouise
ino (ino gecombineerd met turquoise) (top)
Pallid (See
picture)
Bij
deze mutaties krijgen we
een reductie van +/- 60%
van het eumelanine, waardoor
we een gele vogel krijgen
met een groene waas over
het lichaam. Slagpennen
zijn lichtgrijs. De
stuit bleekt gedeeltelijk
op. Poten
zijn vleeskleurig, nagels
hoornkleurig. Masker
blijft ongewijzigd. Bij
de basis vorm spreekt men
van pallid groen. Bij
de geboorte hebben deze vogels
net als de cinnamon rode
ogen welke na een achttal
dagen verkleuren naar donkerbruin.
Pallid vererft ook geslachtsgebonden
recessief en ontstond in
Australië,
daarom sprak men vroeger
van Australisch cinnamon. Tot
voor kort werd ook de naam
isabel gebruikt voor deze
mutant, maar op de vergadering
van de verschillende federaties
van 5 januari 2002, werd
deze naam definitief vervangen
door pallid.
Dus net zoals zijn cinnamon en ino collega vererft deze mutatie geslachtsgebonden, maar opgelet, de pallidfactor ligt samen met de inofactor op hetzelfde gen locus. Dat betekent dat we hier eigenlijk te maken hebben met een multiple allelomorf van het SL ino gen, eenvoudig uitgelegd een ‘half gemuteerde ino’. Wanneer we dan de combinatie gaan maken van een pallid met een ino hebben we niet, zoals meestal het geval is bij twee verschillende mutaties, terug de wildvorm maar wel een combinatie van de twee mutaties. We krijgen heel bleke pallid mannen. Deze mannen zijn dan zowel pallid als ino. De poppen zijn dat niet omdat deze niet split kunnen zijn voor een geslachtsgebonden mutatie. Wanneer we zulke 'pallid-ino' mannen verparen aan groen, dan kunnen we daaruit pallid poppen, ino poppen, groen/ino mannen en groen/pallid mannen krijgen. Voor de doorsnee liefhebber kan dat nog voor heel wat verwarring zorgen. Laten we ook opmerken dat deze ‘pallid-ino’ mannen er uitzien als een te bleke pallids en daardoor niet geschikt zijn voor de tentoonstelling. Pallid vogels worden geboren met rode ogen die ook verkleuren na een dag of acht. (top)
Cinnamon (See
picture)
Eveneens
een eumelanine mutatie, maar
dan geen mutatie waarbij
dat de hoeveelheid eumelanine
verminderd, maar wel een
mutatie waarbij dat de kleur
van het gevormde eumelanine
bruin is. Zwart
eumelanine absorbeert al
het licht dat er op valt,
maar bij de bruine eumelanine
worden de lichtstralen die
wij als de kleur bruin kennen
terug gekaatst. Gevolg
een bruinachtige groene vogel,
met bruine slagpennen en
bleekbruinachtige poten.
Het masker blijft natuurlijk
ongewijzigd, want er verandert
niets aan het aanwezige psittacine. Typisch
voor deze mutant is dat de
vogels bij hun geboorte rode
ogen hebben. Deze
verkleuren naar donkerbruin
na een dag of 8. Deze
mutatie vererft geslachtsgebonden
recessief. Bij de basisvorm
spreekt men van cinnamon
groen.
In combinatie met andere factoren:
· Cinnamon
groen, cinnamon D groen, cinnamon DD groen
· Oranjemasker
cinnamon groen ….
· Cinnamon
aqua, cinnamon D aqua, cinnamon DD aqua
· Cinnamon
turquoise, cinnamon D turquoise, cinnamon DD turquoise (top)
Bronze fallow (See
picture)
Hier
ook
een
verandering
van
kleur
van
het
eumelanine,
maar
in plaats
van
bruin
te
kleuren,
is
het
eumelanine
bruingrijs.
Dit
is vooral
goed
te
zien
in
de
slagpennen. Dat
geeft
algemeen
een
iets
lichtere
kleur
dan
de
cinnamon.
Dat komt
ook
door
de
kleinere
eumelaninekorrels,
die
hier
gevormd
worden.
Ter gelijker
tijd
wordt
er
verhinderd
dat
er
eumelanine
vorming
is
in de
poten
en
de
ogen. Daardoor
krijgen
we
net
zoals
bij
de
inofactor
vogels
met
rode ogen
en
bleke
poten. Stuit
is
dof
blauw
gekleurd.
Het
psittacine
blijft
onaangetast
waardoor
het maskerkleur
ongewijzigd
blijft. Op
het
eerste
zicht
kan
deze
vogel
verward
worden
met
de cinnamon,
maar
de
duidelijk
rode
ogen
en
het
blekere
achterhoofd
geven de
fallowfactor
aan. Deze
mutatie
vererft
autosomaal
recessief. De
eerste
fallow
Roseicollis
ontstonden
in
West
Duitsland
in
de
voliéres
van
Dhr.
Bodo
Ochs. Daarom
sprak
men
destijds
ook
van
Westduits
Fallow
bij
de
Roseicollis. Mogelijk
is
deze
fallow
een
allel
van
het
autosomale
a-gen
maar dit
zal
met
proefparingen
moeten
bewezen
worden. Bij
de
basisvorm
spreekt
men
van
bronze
fallow
groen.
In combinatie met andere factoren:
· Bronze
fallow groen, bronze fallow D groen, bronze fallow DD groen
· Oranjemasker
bronze fallow groen ….
· bronze
fallow aqua, bronze fallow D aqua, bronze fallow DD Aqua
· Bronze
fallow turquoise, bronze fallow D turquoise, bronze fallow DD turquoise (top)
Pale
fallow (See
picture)
Idem
als
de
bronze
fallow,
maar
met
dat
verschil,
dat
het
aanwezige
bruingrijze
eumelanine
tegelijkertijd
ook
nog
in
hoeveelheid
verminderd. Het
gevolg
is
eveneens
een ‘opgebleekte'
fallow,
een
olijfgele
vogel
met
een
dof
blauwe
stuit
en
rode
ogen. Typische
voor
de
pale
fallow
is
niet
alleen
zijn
glasheldere
rode
ogen,
maar
ook
de
groenachtige
schijn
op het
onderlichaam. De
poten
zijn
vleeskleurig
en
de
nagels
hoornkleurig. Deze
fallows
vererven
eveneens
autosomaal
recessief. Deze
vorm
ontstond
in
Oost-Duitsland,
wat
zijn
vorige
naam
Oost-Duits
fallow
verklaard. Bij
de
basisvorm
spreekt
men
van
pale
fallow
groen.
In combinatie met andere factoren:
· Pale
fallow groen, pale fallow D groen, pale fallow DD groen
· Oranjemasker
pale fallow groen ….
· Pale
fallow aqua, pale fallow D aqua, pale fallow DD aqua
· Pale
fallow turquoise, pale fallow D turquoise, pale fallow DD turquoise (top)
Pastelgezoomd (marbled) (See
picture)
De
eerste
pastelgezoomden
ontstonden
in
Amerika. Daarom
sprak
men
destijds
van
Amerikaans
golden
Cherry,
wat
op
zijn
beurt een
vervorming
was
van
American
Cherryhead
(Cherryhead
was
de
engelse
naam
voor een
roseicollis).
Nu
spreken
we
van
pastelgezoomd
groen
(basisvorm).
pastelgezoomd
is
een eumelaninemutatie. Bij
deze
mutatie
krijgen
we
de
typische
zomen
op
het
vleugeldek. Dat
komt
omdat
op
het
vleugeldek
de
eumelaninereductie
in
de
kern
van de
vleugeldekveren
groter
is
dan
in
de
buitenrand. We
hebben
daar
ongeveer
een
reductie
van
+/-
60%. Dat
geeft
een
groen-gele
binnenkant. De
buitenrand
van
de
veer
bevat
dus
nog
veel
meer
eumelanine
en is
daardoor
donkerder
van
kleur. Dit
zorgt
ervoor
dat
de
veren ‘gezoomd'
zijn. Hetzelfde
zien
we
gebeuren
in
de
slagpennen. De
verdere
reductie
van
het
eumelanine
in
de
andere
lichaamsbevedering
is
gelijkmatig verdeeld,
ongeveer
50%,
en
is
evenredig
aan
een
pastel
vogel. Daardoor
is
er
enkel
op
het
vleugeldek
en
slagpennen
sprake
van
zomen. De
stuit
van
deze
vogels
is
opgebleekt. Poten
en
nagels
zijn
lichtgrijs.
De
naam
is
dan
ook
gebaseerd
op zijn
pastel
lichaamskleur
en
de
zomen
op
het
vleugeldek. Deze
mutatie
vererft
autosomaal
recessief. Bij
toevoegen
van
donkerfactoren
spreekt
men
van
pastelgezoomd D groen
en
pastelgezoomd
DD groen. Deze
mutatie
kan
met
verschillende
andere
psittacinemutaties
gecombineerd
worden
zoals
oranjemasker
of rozemasker,
men
duidt
die
aan
als
oranjemasker
pastelgezoomd
groen
of
rozemasker
pastelgezoomd groen. Bij
combinatie
met
aqua
of turquoise spreekt
men
dan
van
pastelgezoomd
aqua
of
pastelgezoomd
turquoise. Deze
vogels
werden
vroeger
ook
verkeerdelijk
aangeduid
als ‘Amerikaans
zilver
cherry’ of
zelfs ‘zilver’. Dit
is
op
zich
een
commercieel
goedklinkende
naam,
maar
zei
niets
over het
geno-
en
fenotype
van
deze
vogels.
Deze
benamingen
moeten
dan
ook zoveel
mogelijk
verbannen
worden. (top)
Overgoten (dilute) (See
picture)
Bij
deze mutatie is het eumelanine
in de volledige bevedering voor
bijna 80 à 90%
verdwenen. Daardoor
krijgen we een bijna volledig
geel gekleurde vogel te zien. Het
is nog niet helder geel, dat
komt door de weinige eumelanine
die nog in de baarden terug te
vinden is. De
eerste overgoten Roseicollis
ontstonden in Japan. Daarom
sprak men vroeger ook van Japans
Cherry of Japans golden cherry. Bij
de Roseicollis zien we door de
eumelaninereductie ook dat de blauwe
stuit duidelijk opbleekt. De
baarden van de stuitbevedering
van de Roseicollis hebben aan
de top over de lengte van ongeveer
een drietal mm geen haakjes. De
aanwezige haakjes die zich tot
aan de basis bevinden
bevatten bij een wildvorm Roseicollis
ongeveer voor de helft eumelanine. Dit
verklaart de tamelijk donker
blauwe kleur van de stuit bij
de wildvorm Roseicollis. Normaal
dan dat wanneer we een reductie
van eumelanine hebben van ongeveer
90% de blauwe stuitkleur veel
fletser, naar het lichtblauwe
toe wordt. De
eumelanine in de kern is immers
gereduceerd, waardoor minder
stralen geabsorbeerd worden en
minder stralen kunnen terug gekaatst
worden, dus minder blauw licht.
Combineer dat met minder zwart
in de haakjes en het spel is
compleet. Het
masker van de Roseicollis is
zoals eerder verteld opgebouwd
met veren van het pronktype en
bijgevolg heeft deze mutatie
daar geen invloed op en blijft
deze zijn rode kleur behouden. De
poten en nagels blijven bij beide
mutanten bijna onaangetast, deze
zijn net als de slagpennen lichtgrijs
van kleur. Overgoten
vererft autosomaal recessief.
In combinatie met andere factoren
· Overgoten
groen, overgoten D groen, overgoten DD groen
· Oranjemasker
overgoten groen ….
· Overgoten
aqua, overgoten D aqua, overgoten DD aqua
· Overgoten turquoise,
overgoten D turquoise, overgoten DD turquoise (top)
Dominant
bont (See
picture)
Bont:
het
ontbreken
van
eumelanine,
ongelijkmatig
verspreid
over
verschillende
veervelden
in
de volledige
lichaamsbevedering. Zo
kunnen
we
deze
mutatie
het
beste
omschrijven. Het
gevolg
uiteraard
een
vogel
met
bleke
vlekken. Doch
hebben
we
bij
de
roseicollis
twee
duidelijk
verschillende
bontvormen. De
eerste
is
de
dominant
bonte. Deze
is
ontstaan
bij
de
roseicollis
in
Amerika. De
eerste
meldingen
rond
deze
mutant
waren
er
reeds
rond
1930,
maar de
eerste
duidelijke
omschrijvingen
was
er
rond
1960. Deze
bontvorm
kan
variëren
van
enkele
bonte
veertjes
tot
een
bijna
volledige
eumelaninereductie. Ook
hier
is
het
masker
kleiner
van
omvang. Deze
vogels
vererven
uiteraard
dominant,
doch
is
het
moeilijk
om
te
stellen dat
er
een
duidelijk
zichtbaar
verschil
bestaat
tussen
EF
en
DF
vogels. Bij
de
basisvorm
spreekt
men
van
bont
groen.
In combinatie met andere factoren:
· Bont
groen, bont D groen, bont DD groen
· Oranjemasker
bont groen ….
· Bont
aqua, bont D aqua, bont DD aqua
· Bont turquoise,
bont D turquoise, bont DD turquoise (top)
Recessief
bont: (See
picture)
Deze
autosomaal
recessieve
bontmutatie
ontstond
in
Australië en
geeft
ons
een
bijna
volledig
gele
vogel.
We
kunnen
stellen
dat deze
bontvorm
zorgt
voor
een
95%
reductie
van
het
eumelanine.
De
vogels zijn
dan
bijna
volledig
geel
van
kleur. De
kleur
van
de
slagpennen
en
de
poten
en
nagels
kan
variëren
van
grijs
naar
volledig
opgebleekt. Meestal
is
de
blauwe
stuit
ook
zo
goed
als
volledig
weg
en soms
hebben
we
nog
een
groene
schijn
boven
de
stuit
op
de onderrug. Ondanks
het
feit
dat
bont
in
principe
een
eumelaninemutant
is,
zien
we ook
hier
dat
de
vorm
van
het
masker
kleiner
wordt,
door
het ook
reduceren
van
de
rode
psittacine
van
het
masker. Splitvogels
voor
deze
mutatie
zijn
meestal
te
herkennen
aan
een
bonte
vlek aan
de
binnenzijde
van
het
dijbeen. Bij
deze
vogels
spreken we
van
de
gele
zwartoog. Deze
naam
werd
door
ons
gegeven
aan
die
vogels
de
naam
Australian Yellow
hadden. Nu
blijkt
dat
we
waarschijnlijk
te
maken
had
met
de
typische
spraakverwarring binnen
de
agapornidenwereld
en
dat
we
beter
niet
van
gele
zwartoog
spreken, maar
wel
van
recessief
bont. Maar
hier
zullen
we
ook
in
overleg
met
de
verschillende
federaties
een beslissing
in
nemen. (top)
De
psittacinemutanten
De meest gekende psittacinemutant
is uiteraard de blauwe vogel. Daarbij hebben we een volledige
reductie van het aanwezige psittacine. Deze blauwe vogels
zijn het meest herkenbaar en daar door ook veel gemakkelijker te
begrijpen. Maar bij de Roseicollis ligt het enigszins anders,
want men moet weten dat daar (nog) geen echt blauwe mutatie bestaat.
Er zijn wel aqua en turquoise. Dit zijn kleuren die naar het
blauw neigen, maar nog niet volledig blauw zijn. Ander psittacinemutaties
zijn dan nog de oranjemasker en rozemasker, waarbij een andere kleur
psittacine gevormd word en tenslotte nog de opaline, waarbij we een
uitbreiding kennen van de aanwezige psittacine. (top)
Aqua
(Zeegroen) (See
picture)
Bij een aqua vogel is de psittacine in de volledige bevedering
voor ongeveer de helft gereduceerd. Dat betekent dat de gele kleur
in de cortex niet meer zo "geel van kleur is", de gele
kleur is immers voor 50% gereduceerd (verdund). Giet bij gele
verf eens 50% water bij en je zult merken dat de kleur geel veel
fietser wordt, lichter geel bij wijze van spreken. De blauwe
lichtstralen, welke gevormd worden in de sponszone, passeren nu
de licht gele kleur en daardoor krijgen we kleur die niet groen is,
maar ook niet blauw, hij zit er ergens middenin. Daarom kreeg
deze kleurslag vroeger de naam zeegroen mee. Niet enkel de
gele psittacine in de bevedering reduceert, ook de rode psittacine
in het masker reduceert. Het rood wordt daar ook +/-50% bleker. Daardoor
krijgt de zeegroene Roseicollis zijn typisch roze maskerkleur. Poten,
nagels en slagpennen blijven ongewijzigd. Dat is immers eumelanine
die verantwoordelijk is voor deze kleurvorming. Zeegroen vererft
autosomaal recessief. Deze kleurslag kan bij zowat elke mutatie
uit de groenserie ingekweekt worden: cinnamon, pallid, pastelgezoomd,
overgoten en fallow. Combinatie met oranjemasker geeft een
zeegroene vogel met een 'geelachtig' masker. Deze combinatie
heeft als tentoonstellingsvogel geen enkel nut aangezien deze niet
op de tentoonstellingen aanvaard wordt. Bij het opstellen van
de gemeenschappelijke standaardeisen agaporniden besliste de vergadering
van 17 januari 2004 in Apeldoorn om voortaan deze mutant aan tegeven
met zijn internationale term aqua. Combinatie met donkerfactoren
kan uiteraard wel, men spreekt daarom van aqua (basismutant),
D aqau ( D staat voor donker = 1 donkerfactor)
en DD aqua (DD staat voor dubbele donkerfactor). (top)
Turquoise
(bleekmasker) (See
picture)
Bij
de
turquoise
(voorheen
bleekmaske)s
is
er
een
reductie
van
80 tot
soms
90%
van
het psittacine
opgetreden
in
de algemene
lichaamsbevedering. Daardoor
wordt
psittacine
in
de
cortex
heel
licht
geel
en
krijgen we
door
de
combinatie
van
de
blauwe
lichtstralen
en
het
heel lichtgele
psittacine
een
vogel
die
al
flink
wat
blauwer
van
kleur is
dan
de
aqua
vogels.
Behalve
op
het
vleugeldek,
daar
is nog
groene
waas,
zelfs
groene
vlekken
op
het
verenkleed
te bespeuren.
Dat
komt
doordat
de
reductie
van
het
psittacine
daar
maar een
50 à 60%
is. De
nog
aanwezige
psittacine
geeft
het
vleugeldek
dus
een
meer
zeegroene kleur,
in
tegenstelling
tot
het
bijna
blauwe
lichaam. In
het
masker
is
de
rode
kleurstof
ook
voor
ongeveer
90% gereduceerd,
waardoor
dat
bijna
volledig
wit
is
van
kleur. Maar
als
we
goed
kijken
bemerken
we
nog
een
licht
roze waas op
het
voorhoofd. Dat
komt
door
dat
er
nog
steeds
een
10 à 15%
rood
psittacine
aanwezig
is. Een
echt
wit
masker
kunnen
we
maar
krijgen
als
de
psittacine volledig
is
verdwenen,
dus
bij
een
echt
blauwe
vogel
(denk
maar aan
de
blauwe
Fischeri). Deze
kleurslag
werd
vroeger
aangeduidt
met
de
benaming
bleekmasker,
maar
net zoals
de
aqua
werd
bij
het
opstellen
van
de
gemeenschappelijke
standaardeisen beslist
op
de
vergadering
van
17
januari
2004
in
Apeldoorn
om voortaan
deze
mutant
aan
tegeven
met
zijn
internationale
term
turquoise. Deze
mutant
kan
in
feite
net
zoals de aqua kleurslag
gecombineerd
worden
met
bijna
alle
kleuren
uit
de
groenserie
(hier ook
behalve
oranjemasker).
Combineren
we
nu
deze
turquoise
met
donkerfactoren
dan
spreekt
men van
D
turquoise
en
DD
turquoise.
De
vererving
is
eveneens autosomaal
recessief. (top)
Aquaturquoise
(Appelgroen) (See
picture)
Laten we hier duidelijk stellen dat het geen mutatie is, wel
een mutatiecombinatie. Aqua en turquoise zijn beide allelen
van het bl-locus. Met andere woorden het zijn multiple allelen.
Daardoor krijgen we als we een aqua vogel met een turquoise gaan
combineren geen groene vogel split is voor aqua en turquoise, maar
wel vogel met een "appelgroen" fenotype. Dit is een
kleur die zich ergens tussen groen en aqua bevindt maar de vogels
hebben een veel bleker masker. Genotypisch is dat een vogel
aqua turquoise. Spijtig genoeg hadden ze destijds hier de naam
appelgroen opgekleefd. Dit was ook verwarrend en onnodig want op
deze manier gaven ze een terug mutatiecombinatie een eigen aparte
naam. Daardoor dachten veel mensen ook om die reden dat het een aparte
mutatie was. Het geven van een naam aan een mutatie-combinatie
moet zo veel mogelijk worden vermeden. Nu geven we deze combinaties
aan gewoon met de termen van de aanwezige mutanten, uds hier aquaturquoise.
De aquaturquoise kleurslag wordt niet gevraagd in de BVA nomenclatuur
omdat het een combinatievorm is, maar dat belet niet dat het een
prima kweekvogel is om turquoise en aqua vogels te kweken. (top)
Oranjemasker (See
picture)
Deze vorm is ontstaan in Amerika in de jaren 80. Bij
deze mutatie is het gevormde psittacine in het masker en de staartstippen
niet rood maar oranje en verschilt dus ook van de wildvorm door deze
eigenschappen. Oranjemasker vererft autosomaal recessief. (top)
Rozemasker (See
picture)
Ontstaan in Nederland bij Harry Bens. Hier is het gevormde
psittacine in het masker en staartstippen lichtoranje-roze. Rozemasker
vererft dominant. EF vogels laten veel minder de kenmerken
zien dan een DF. Deze DF vogels zijn dan ook het meest aangewezen
voor de tentoonstellingen. De algemene lichaamskleur geeft
de indruk iets meer naar het zeegroene te neigen. De rest gelijk
aan de wildvorm. (top)
Donkerfactoren (See
picture)
Hierbij
zien we dat de sponszône
in de baard van structuur gaat wijzigen. Ze
wordt iets smaller. Daardoor
ontstaat er een ander kleur blauw door de aanwezige interferentie en iets meer absorptie van de het aanwezige licht. Gevolg
een iets donkerder gekleurde vogel. Donkerfactoren
vererven semi dominant. Dat
betekent dat de kleur van EF vogels net
tussen de kleur van groene vogels en vogels met 2 donkerfactoren inzit. Groene vogels met 1 donkerfactor zijn D groen (donkergroen)
, met twee donkerfactoren DD groen (olijfgroen). (top)
Violetfactor (See
picture)
Hier gaat terug de structuur
van de sponszône wijzigen. Door deze wijziging ontstaat er
geen blauw licht in de sponszône, maar wel violette interferentie. Deze
violette kleur vererft dominant en kan in principe in elke mutatie
ingekweekt worden, maar is enkel duidelijk zichtbaar bij vogels uit
de blauwreeks met één donkerfactor (D blauw) of vogels uit
de turquoisereeks
met één donkerfactor (D turquoise). Gecombineerd
met andere kleurslagen zorgt hij alleen maar voor verwarring en moet
dus zoveel mogelijk vermeden worden. (top)
Wijziging
in de eumelanine- en psittacinedistributie:
Opaline (See
picture)
Ontstaan
in 1997 in Amerika. Uit
een koppeltje D groen /
lutino x groen werden
de eerste opaline jongen
geboren. Meest
opvallende kenmerken zijn
dat de rode psittacine
van het masker zich heeft
uitgebreid naar het achterhoofd
toe. De
algemene lichaamskleur
is iets grauwer groen
van kleur, de stuit is
bijna voilledig groen
geworden en de zwarte
en blauwe staartstippen
zijn verdwenen, waardoor
dat daar de rode kleur
overheerst. Opaline
vererft geslachtsgebonden
recessief. (top)
Verschijningsvormen
ontstaan door crossing-over:
Cinnamon-ino (See
picture)
Ontstaan
door crossing-over tussen cinnamon en ino. In de greenreeks
zijn de vogels overwegend geel, hebben een rood masker en
rode ogen. Een lichtblauwe stuit en de slagpennen zijn lichtbruin
gekleurd. Men zou vervolgens kunnen denken met een fallow type
2 (pale fallow) te maken te hebben. Maar daarvoor ontbreekt dan weer
de groene aanslag aan de onderzijde van het lichaam, is de kleur
van het oog te donker en klopt de manier van vererven niet. Fallow
vererft autosomaal recessief en deze vorm vererft geslachtsgebonden
recessief. De kans op crossing-over tussen cinnamon en ino
bedraagt 3%. Het fenotype werd voor het eerst beschreven bij de grasparkieten. Daar
krijgt men gele vogels maar met een lichtbruine vleugeltekening
die doet denken aan het patroon van een kanten kleedje Destijds hebben
ze een aparte naam, “lacewing” gekleefd op deze crossing-over. (lace
= kant, wing = vleugel). Toen de eerste lacewings ontstonden
wist en begreep men niet dat het hier een crossing-over betrof. Het
fenotype van de combinatie cinnamon-ino bij de grasparkiet is uniek
t.o.v. andere soorten en rechtvaardigt daarom misschien als enige
de naam lacewing, zolang we maar erbij bedenken dat het eigenlijk
een cinnamon-ino is. Een probleem is wel dat veel beginnende liefhebbers
denken dat ze met een aparte mutant te maken hebben. Daarom
is al vlug het besef gerezen dat we er bij deze crossing-over op
moeten toezien, dat er zeker geen speciale naam op wordt geplaatst.
Wat we wél moeten doen is duidelijk
aangeven over welke combinatie het gaat. Op het moment dat
we te maken hebben met een crossing-over geven we die aan door de
twee mutaties te noteren met een KOPPELTEKEN ertussen. Beide
mutaties liggen immers op hetzelfde chromosoom. Dus
eenvoudig “cinnamon–ino”. Men
kan dat simpel onthouden door de schrijfwijze van crossing-over (hier
zit ook een koppelteken tussen). (top)
© Dirk Van den Abeele