De swift in de wildbaan:

De swiftparkiet kreeg zijn Latijnse benaming, Lathamus Discolor, naar de beroemdste Britse ornitholoog van de achttiende eeuw, Dr. John Latham (1740-1837).

Discolor duidt op zijn afwisselend, bont gekleurd verenpak. Bij de systematische indeling was er lang tijd discussie of deze vogel moest ingedeeld worden onder de platstaartparkieten of de lori’s. Uiteindelijk werd er gekozen voor een volledig apart geslacht nl. Lathamus met slechts één soort : Lathamus discolor.

De swiftparkiet wordt beschouwd als een overgangsvorm tussen de parkieten en de lori’s. Het hoofdbestanddeel van hun voeding, nectar en stuifmeel, halen ze met hun penseelvormige tong vooral uit de bloemen van de eucalyptusbomen.

Dit duidt op hun verwantschap met de lori’s. Verder voeden ze zich met kleine vruchten, bessen, zaden en insecten. Ze vinden dus hun voeding in de bomen en verplaatsen zich hiervoor graag klauterend tussen de takken. Alleen maar om te drinken en overvloedig te baden, wat ze veel en graag doen, komen ze op de grond. Hun snelle vlucht lijkt op die van een zwaluw, vandaar ook hun naam (swift betekent gierzwaluw in het Engels).

De swiftparkiet broedt alleen op Tasmanië en de omringende eilanden vanaf september. Rond maart trekken ze terug overzee naar het zuidoosten van het Australische moedercontinent. Daar overwinteren ze en trekken er rond in kleine groepen die af en toe samensmelten tot één grote groep. Zo wordt de populatie voortdurend gemengd en kan er geen ondersoort ontstaan. Maar toch is er enige variatie merkbaar tussen individuele vogels. Zoals : lichter of donkerder groen, meer of minder geel en rood aan de kop en onder de staart en al of niet een blauwe schijn in de wangen. Deze variatie is er ook in de Europese volières

Het broed- en voedselgebied van de swift wordt jaar na jaar kleiner door het kappen voor de houthandel en de landbouw van de eucalyptusbomen. Hierdoor neemt hun aantal in de natuur jaar na jaar af. Reeds vanaf 1970 wordt deze vogel in bescherming genomen. In 1988 werd hun aantal nog op 1500 broedparen geschat en in 1996 rond de 1000. Jammer genoeg duurt het een hele tijd voor de jonge aangeplante bomen van het beschermingsplan kunnen zorgen voor voldoende nestgelegenheid en voedsel.

© Geert Vankeirsbilck